Russisch - Initiatie (module 1)

Opleiding Taal 140310

Introductie

Een nieuwe taal aanleren

Onze taaltrainingen "een nieuwe taal aanleren", leren u een taal effectief te gebruiken in een professionele en een privé context. Luisteren, begrijpen en spreken staan centraal in onze taaltrainingen. U leert niet enkel een nieuwe taal aan maar u krijgt evengoed inzicht in de typische gewoontes, gebruiken, mentaliteit... zeg maar cultuur van de landen waar de betreffende taal wordt gesproken. Dit helpt u om snel door de "native speakers" geaccepteerd te worden en voorkomt onnodige misverstanden en problemen.

U komt terecht in een groep met een beperkt aantal gelijkgestemde cursisten, zodat onze ervaren taalcoaches u ruim voldoende aandacht kunnen geven. Goed om weten: onze taalcoaches onderwerpen u niet aan testen (tenzij u daar zelf op aandringt) en zijn ervaren in het wegnemen van de eventuele drempel om te durven spreken.

Voor wie is deze opleiding bestemd?

U wil Russisch als nieuwe taal aanleren

Voorkennis

In deze taalopleiding start u vanaf nul.

Methodologie

  • Situationele aanpak: thema's uit het dagelijkse leven stellen de deelnemers in staat na korte tijd over verschillende onderwerpen te converseren.
  • Communicatief gericht: op iedere dialoog volgt een woordenlijst. De woordenschat uit de dialoog wordt op een interactieve manier tijdens de les ingeoefend en uitgebreid naar de leef- en bedrijfswereld van de deelnemers.
  • Grammatica: de grammaticale onderbouw die de dialogen ondersteunt, wordt systematisch aangebracht en ingeoefend.

Wat kent u na het volgen van deze opleiding?

Na deze eerste module kan u de eerste contacten leggen met russisch sprekende contacten.

Programma

Het onderstaand programma geeft je een overzicht van de thema's die behandeld worden.

  • Het alfabet, de tekens, de klinkers, de medeklinkers, uitspraakregels, schrijfwijze, oefeningen
  • Ik stel mezelf voor: zeggen wie je bent, zeggen wie iemand is of wat iets is, ja en nee zeggen
  • Wie ben jij? Waar kom je vandaan? Vragen hoe iemand heet, vragen waar iets zich bevindt, vragen naar de nationaliteit van iemand.
  • Een eerste (telefoon)gesprek
  • Iemand begroeten, vragen hoe het met iemand gaat, afscheid nemen
  • Hoe oud ben je? Waar woon je? Welke talen spreek je?
  • Wat is je beroep? Vragen naar het beroep, naam + adres: zeggen + ernaar vragen
  • Small talk. Gesprek tussen twee collega¡¦s over dagdagelijkse zaken.
  • Een formulier invullen met naam , voornaam, adres.
  • Een eenvoudige aankondiging lezen waarin cijfers in vermeld staan.
  • De dagen/de jaarindeling/de werkdag/het uur. Wat doe je, op welk uur van de dag?
  • De weg vragen. Situatie waarbij de weg wordt uitgelegd, zeggen dat hij iets niet begrijpt.
  • Situatie waarbij iemand inlichtingen vraagt over de kleinhandelszaken. Etiketten van producten en kastickets worden bekeken.